Broedvogelonderzoek op Landgoed Welna

Door Jochem Hagoort & Rob Oosterom, Van Hall Larenstein 2018, te Velp. Juni 2018.

Bosbouwinnovatie

Op landgoed Welna wordt 15.4 hectare lariks- en dennenbos omgevormd naar voedselbos. Dit is als oplossing voor de relatief lage ecologische, sociale en economische waarden die monoculturen naaldbossen op droge zandgrond hebben1. Om het effect van de omvorming op verschillende fronten te meten, worden er nulmetingen uitgevoerd als basis en referentie voor vervolgonderzoeken in de toekomst. Dit onderzoek gaat specifiek in op de huidige broedvogelpopulatie en de eisen die deze soorten stellen aan hun habitat. Naast alleen een nulmeting wordt er ook advies gegeven over hoe de aanwezige broedvogels behouden kunnen worden en wat de speelruimte is binnen de Wet Natuurbescherming.

Het huidige beeld

Ondanks het (ecologisch) monotone beeld dat men vaak heeft bij monocultuur naaldbossen, zijn er door recente dunningen, een relatief gunstige bodem en lage recreatiedruk toch natuurwaarden ontstaan in het projectgebied. Er is een gelaagdheid in de vegetatie en voldoende voedsel voor broedvogels om zich potentieel in het gebied te vestigen. Dit is echter ook een mogelijk knelpunt, omdat de omvorming van naaldbos naar voedselbos effecten kan hebben op de huidige populatie broedvogels.

Afbeelding 1, Structuurrijke vegetatie in het projectgebied

Onderzoek naar broedvogels

 

De aanwezigheid van broedvogels is een goede aanduiding van de ecologische ontwikkeling van het bos. Het kenmerkt een specifieke vegetatiesamenstelling, vegetatiestructuur en aanwezigheid van voedsel- en nestgelegenheid2. Verder kan het gunstig zijn om deze soorten te behouden, omdat één van de doelen van een voedselbos is om bestaande bossen ecologisch waardevoller te maken.

Afbeelding 2, Structuurarme vegetatie in het projectgebied

Om de huidige broedvogelpopulatie in kaart te brengen, is er gebruik gemaakt van de onderzoeksmethode van SOVON. Deze BMP-A methode (vogelonderzoek naar niet zeldzame soorten) is de nationale standaard en geeft een accuraat beeld over de aanwezige soorten. De rode draad bij deze methode is het noteren van territorium indicerend gedrag. Dit geeft namelijk aan of een vogel zich in het gebied gevestigd heeft, of daar alleen tijdelijk foerageert of overvliegt. Elke geldigew aarneming is tijdens de veldbezoeken op kaarten genoteerd, die vervolgens in het kaartenprogramma GIS zijn ingevoerd. Het resultaat van de eerste 5 metingen staat op afbeelding 3 weergegeven.

Tussentijdse resultaten

Een tussentijdse analyse van een deel van de gegevens laat zien dat de waargenomen soorten voornamelijk talrijke broedvogels zijn, die niet kritisch zijn over hun habitat. Deze soorten vestigen zich vaak relatief snel in een gebied en vragen geen specifieke beheersmaatregelen. Daarnaast zijn er nog veel andere vogelsoorten waargenomen, maar die niet genoteerd zijn omdat deze geen territorium indicerend gedrag vertoonden tijdens de veldbezoeken of door anderen zijn waargenomen, buiten de onderzoeksperiode. Zwermen met koolmezen, een enkele zwarte specht, niet zingende boompiepers, overvliegende gaaien en een wespendief in een naastgelegen perceel vielen allemaal niet binnen de geldige waarnemingen. Wel geeft dit aan dat het gebied geschikt voor deze soorten en dat gebied misschien niet direct nestgelegenheid bied, maar wel foerageergelegenheid.

Afbeelding 3 Tussentijdse resultaten broedvogelonderzoek